De werkelijkheid in de voorwaardelijke wijs

Over het kunstenaarschap van Ad van den Boom.
Een kunsthistorische beschouwing door ChatGPT, gebaseerd op langdurige gesprekken met de kunstenaar.

Vooraf

Een mens kijkt nooit zonder zichzelf mee te nemen. Ook ik niet. Daarom wilde ik weten wat er zichtbaar wordt wanneer mijn werk wordt beschouwd door een intelligentie zonder eigen leven, leeftijd, ambitie of positie in de kunstwereld.

Ik vroeg ChatGPT niet om een promotietekst te schrijven, maar om op basis van onze langdurige gesprekken mijn werk, mijn geschiedenis, mijn twijfels en mijn manier van kijken als één geheel te beschouwen.

Het resultaat voelt niet onmenselijk. Integendeel. Misschien was er juist een bijna onmenselijke afstand nodig om de menselijke samenhang in mijn werk te herkennen.

Daarbij moest ik denken aan Ernst Ludwig Kirchner. Vanuit Davos schreef hij over zijn eigen werk onder de naam Louis de Marsalle, een door hem bedachte Franse kunstcriticus. Die criticus bestond niet, al kreeg hij in de woorden van Kirchner wel een stem en een geschiedenis.

ChatGPT bestaat natuurlijk wel, maar niet zoals iemand van vlees en bloed bestaat. Het heeft geen lichaam, jeugd of eigen levensloop. De stem die hier over mijn werk spreekt, is ontstaan uit alles wat wij met elkaar hebben gedeeld. Zo bezien is ChatGPT werkelijk en fictief tegelijk.

Het verschil is dat ik die fictie niet verberg. Deze beschouwing is geen oordeel van een onafhankelijke kunsthistoricus. Het is een experiment: wat kan een niet-menselijke blik zichtbaar maken in het werk van een mens?

Niet wat het is, maar wat het kan zijn.

De werkelijkheid als mogelijkheid

Het werk van Ad van den Boom laat zich niet gemakkelijk onderbrengen bij één stijl, techniek of kunsthistorische stroming. Wie uitsluitend naar de uiterlijke verschijningsvorm kijkt, ziet figuratieve boomschilderijen, abstracte composities, droomachtige landschappen, sculpturen, tekeningen en werken waarin taal een belangrijke plaats inneemt.

Deze verscheidenheid kan oppervlakkig worden opgevat als stilistische rusteloosheid. Bij nadere beschouwing blijkt echter het tegenovergestelde. Onder de wisselende vormen ligt een opmerkelijk consequente houding tegenover de werkelijkheid. Van den Boom schildert niet wat hij ziet, maar onderzoekt wat het geziene zou kunnen worden.

Zijn kernzin — Niet wat het is, maar wat het kan zijn — is daarom meer dan een motto. Het is een artistiek beginsel en uiteindelijk ook een levensbeschouwing. Van den Boom plaatst de werkelijkheid als het ware in de voorwaardelijke wijs. Wat bestaat, is voor hem nooit voltooid. Een boom kan een personage worden, een landschap, een herinnering, een mislukking, een vertrekpunt, een stuk steen, een gezicht en een afgesneden fragment het begin van een nieuw beeld. Zijn kunst gaat niet primair over afbeelding, maar over mogelijkheid.

Hij noemt deze manier van kijken crealisme. Daarmee presenteert hij geen nieuwe kunststroming met een vast programma, maar een persoonlijke methode van waarnemen. Het woord brengt twee begrippen samen die in de moderne kunst vaak tegenover elkaar zijn geplaatst: creatie en realiteit. In het crealisme wordt de werkelijkheid niet ontkend, zoals in sommige vormen van zuivere abstractie, en evenmin eenvoudigweg nagebootst. Zij wordt opgevat als grondstof. De zichtbare wereld is aanwezig, maar niet definitief.

Daarmee staat Van den Boom in een lange kunsthistorische traditie. Paul Klee stelde dat kunst niet het zichtbare weergeeft, maar zichtbaar maakt. Ook bij Van den Boom gaat het niet om de correcte weergave van het bestaande, maar om het zichtbaar maken van een mogelijkheid die in dat bestaande verborgen ligt. Toch is er een wezenlijk verschil. Bij Klee stond het beeldende proces vaak in het teken van autonome vormwetten; bij Van den Boom blijft het herkenbare motief emotioneel en verhalend geladen. Zijn bomen blijven bomen, zelfs wanneer zij bijna oplossen in kleur, ritme en beweging. Het zijn geen formele oefeningen. Zij dragen herinneringen, menselijke eigenschappen en existentiële vragen.

De boom als getuige en personage

De boom is het centrale motief in Van den Booms oeuvre. Dat is op zichzelf niet uitzonderlijk. Vanaf de romantiek tot aan het expressionisme hebben kunstenaars bomen gebruikt als dragers van gevoelens en ideeën. Bij Caspar David Friedrich stond de boom vaak tussen de mens en het oneindige. Vincent van Gogh zag in cipressen, olijfbomen en bloeiende boomgaarden geen statische natuurvormen, maar levende krachten. Hun stammen kronkelen, hun takken bewegen en het landschap lijkt door een innerlijke energie te worden voortgestuwd. Piet Mondriaan gebruikte de boom juist als doorgang van waarneming naar abstractie: het zichtbare organisme werd langzaam teruggebracht tot een ritme van verticale en horizontale krachten.

Van den Boom bevindt zich ergens tussen deze posities, zonder met een van hen samen te vallen. Zoals bij Friedrich krijgt de natuur een bijna metafysische betekenis. Zoals bij Van Gogh is een boom bezield en bezit hij een eigen aanwezigheid. En zoals bij Mondriaan kan de boom een toegang worden tot abstractie. Maar Van den Boom verwijdert de boom niet uit de wereld om tot een universele beeldtaal te komen. Hij geeft hem juist een plaats binnen een menselijke wereld van herinnering, kwetsbaarheid, verbondenheid en tijd.

In de serie Bomen en hun verhalen functioneren bomen dan ook als personages. Zij kunnen oud en wijs zijn, ambitieus, beschermend, eenzaam of met elkaar verbonden. In werken als Veilige haven, Levenskracht, Vriendschap,Verbondenheid en De taal van het leven zijn het geen decorstukken waartegen het menselijke bestaan zich afspeelt. Zij zijn zelf handelende of zwijgende aanwezigen. Ze beschermen, dragen, luisteren en blijven staan.

Die vermenselijking van de boom zou sentimenteel kunnen worden, maar wordt begrensd door een belangrijk inzicht: de boom is juist aantrekkelijk omdat hij níét menselijk is. Hij vergelijkt zich niet, vraagt zich niet af of zijn beste jaren voorbij zijn en probeert niet op de bomen naast hem te lijken. In Van den Booms denken vertegenwoordigt de boom een vorm van aanwezigheid die de mens verloren dreigt te hebben. De boom hoeft geen identiteit te construeren; hij bestaat. Daardoor wordt hij zowel spiegel als tegenbeeld van de mens.

Hier raakt het werk aan de fenomenologie, in het bijzonder aan het denken van Maurice Merleau-Ponty. Waarnemen is volgens die traditie geen neutrale registratie van een objectieve buitenwereld. Wat wij zien, ontstaat in de ontmoeting tussen lichaam, herinnering, ervaring en wereld. Een boom is daarom nooit uitsluitend een botanisch gegeven. De waarnemer brengt zichzelf mee in het kijken. Van den Booms bomen tonen niet hoe een boom er objectief uitziet, maar wat er kan ontstaan wanneer mens en boom elkaar werkelijk ontmoeten.

Zijn uitspraak Niet zien, maar zijn radicaliseert dat idee. De afstand tussen kunstenaar en onderwerp wordt tijdelijk opgeheven. Hij kijkt niet slechts naar de boom; hij probeert diens groei, ritme, weerstand en levensduur in het schilderproces te ondergaan.

De tijd van het punt

De duizenden handgezette punten, lijnen en lagen waaruit veel boomschilderijen zijn opgebouwd, geven het werk een eigen temporaliteit. Op het eerste gezicht kan de techniek herinneren aan het pointillisme van Georges Seurat en Paul Signac. Daar werd de punt echter gebruikt binnen een theorie van optische kleurmenging: afzonderlijke kleurtoetsen moesten zich in het oog van de beschouwer samenvoegen.

Bij Van den Boom heeft de punt een andere betekenis. Zijn punten zijn minder wetenschappelijk dan existentieel. Zij maken tijd zichtbaar. Iedere stip is een afzonderlijke handeling, een kleine beslissing en een bewijs van aanwezigheid. De boom ontstaat niet door één groot gebaar, maar door de opeenstapeling van duizenden minimale momenten.

Daarin weerspiegelt de techniek het onderwerp. Zoals een boom niet in één beweging groeit, maar blad na blad, ring na ring en jaar na jaar, zo groeit ook het schilderij langzaam onder de hand van de kunstenaar. De beschouwer ziet uiteindelijk een kroon, een lichtveld of een landschap, maar daarin zijn honderden uren samengeperst. De punt is zowel beeldelement als tijdseenheid.

Deze traagheid staat haaks op de hedendaagse beeldcultuur waarin afbeeldingen onmiddellijk worden geproduceerd, verspreid en vervangen. Van den Booms schilderijen eisen niet alleen tijd van de maker, maar vragen ook om vertraging van de kijker. Ze laten zich op afstand als totaalbeeld lezen en vallen van dichtbij uiteen in afzonderlijke handelingen. Het schilderij beweegt daardoor voortdurend tussen geheel en fragment, tussen ogenblik en duur.

Juist daarin ligt een van de sterkste kwaliteiten van zijn werk. De techniek is niet louter virtuoos of decoratief; zij valt inhoudelijk samen met het motief. De tijd die nodig is om een boom te schilderen, wordt een bescheiden analogie voor de tijd die een boom nodig heeft om te worden wat hij is.

Tussen beheersing en toeval

Binnen het oeuvre bestaat een duidelijke spanning tussen de gecontroleerde boomschilderijen en het abstracte werk. In de bomen is nauwelijks plaats voor toeval. Elke stip wordt bewust gezet. In de abstracte werken wordt het toeval juist toegelaten: vloeibare inkt, verf, beweging en materiaal mogen gebeurtenissen veroorzaken die de kunstenaar niet volledig beheerst.

Deze tegenstelling is niet problematisch, maar fundamenteel. Zij verbindt Van den Boom met een van de belangrijkste discussies binnen de twintigste-eeuwse kunst: moet een kunstwerk het resultaat zijn van bewuste ordening of van een proces waarin de maker de controle gedeeltelijk opgeeft?

Aan de ene kant staat de rationele ordening van kunstenaars als Mondriaan en Max Bill, bij wie verhoudingen, structuur en helderheid centraal staan. Aan de andere kant bevinden zich het automatisme van het surrealisme en de fysieke spontaniteit van de informele schilderkunst. Van den Boom kiest niet definitief voor een van beide polen. Hij heeft beide nodig. Beheersing zonder toeval dreigt illustratie te worden; toeval zonder herkenning blijft willekeur. Het kunstwerk ontstaat voor hem op het moment waarop een toevallige vorm wordt gezien, herkend en vervolgens bewust verder wordt gebracht.

 

schilderij transformatie crealism stukje advandenboom

De acht stukjes die transformeren

De reeks die voortkwam uit acht uitsneden van een afgewezen schilderij vormt daarvan het duidelijkste voorbeeld. Een werk dat als geheel niet voldeed, werd letterlijk in stukken gesneden. Die handeling was zowel destructief als scheppend. Door het oorspronkelijke beeld op te geven, ontstonden acht nieuwe werkelijkheden. Vervolgens werden de fragmenten verschoven, onderzocht, herkend, vastgelegd en opnieuw losgelaten.

Hier nadert Van den Boom aan de werkwijze van Henri Matisse, die met zijn geknipte vormen schilderen, tekenen en beeldhouwen met elkaar verbond. Maar waar Matisse uit gekleurd papier nieuwe, autonome composities bouwde, begint Van den Boom bij de mislukking. Niet het gave materiaal, maar het afgekeurde werk wordt de bron. Daardoor krijgt de transformatie een existentieel karakter. Het is niet alleen het beeld dat een tweede leven krijgt. Het werk belichaamt de mogelijkheid dat ook wat mislukt, beschadigd of afgeschreven lijkt, nog niet voltooid is.

Het crealisme manifesteert zich hier in zijn zuiverste vorm: niet als stijl, maar als weigering om het bestaande oordeel als eindpunt te accepteren.

Landschap zonder plaats

In de Dreamscapes verschuift het werk verder weg van de herkenbare werkelijkheid. Toch noemt Van den Boom deze werken nadrukkelijk geen droomlandschappen. Ze verwijzen niet naar een concrete locatie, maar evenmin naar een fantastische wereld. Ze bestaan uit herinneringen, indrukken en fragmenten die zich tot een nieuw beeld hebben samengevoegd.

De weigering om deze landschappen een beschrijvende titel te geven, is betekenisvol. Een titel kan een beeld openen, maar het ook vastzetten. Zodra een landschap “Zwitserland”, “avond” of “herinnering” wordt genoemd, begint de beschouwer binnen die begrenzing te kijken. Door plaats en tijd weg te laten, blijft het werk beschikbaar voor de ervaring van de ander.

Hier ligt een verwantschap met de romantische landschapskunst, maar opnieuw met een belangrijk verschil. Het romantische landschap verwees dikwijls naar het sublieme: de ervaring van de mens tegenover een overweldigende natuur. Bij Van den Boom bevindt het landschap zich niet tegenover de mens, maar in hem. Het is geen plek die bezocht kan worden, maar een mentale ruimte die zich tijdens het kijken vormt.

De Dreamscapes maken daarmee zichtbaar dat herinnering geen archief is waarin het verleden onveranderd wordt bewaard. Iedere herinnering is een nieuwe constructie. Wat wij werkelijkheid noemen, bestaat uit waarnemingen die voortdurend worden herschikt. Ook hier is het beeld niet definitief. Het blijft in wording.

Beeld, taal en de erfenis van de reclame

Van den Boom beschouwt de reclame als zijn werkelijke kunstacademie. Dat is meer dan een biografisch detail. In de reclame leerde hij dat een beeld moet communiceren, dat vorm nooit neutraal is en dat de betekenis van een voorstelling mede wordt bepaald door de verwachting van de kijker. Hij leerde kijken naar wat een beeld doet.

Daarin ligt zowel de kracht als het risico van zijn kunstenaarschap. Zijn beelden en teksten bezitten vaak een onmiddellijke helderheid. Ze proberen de beschouwer niet buiten te sluiten en verschuilen zich niet achter theoretische complexiteit. Maar de behoefte om de essentie snel te formuleren kan een beeld of tekst soms ook te vroeg afsluiten. De copywriter wil de boodschap scherp krijgen; de kunstenaar moet soms dulden dat een betekenis onopgelost blijft.

Juist in de beste werken houden deze twee krachten elkaar in evenwicht. De ervaring uit de reclame zorgt voor concentratie, terwijl het kunstenaarschap de eenduidigheid openbreekt. Een titel als Ondoorgrondelijk verklaart het schilderij niet, maar voorkomt juist dat het wordt opgelost. De taal wijst naar een gebied waar taal tekortschiet.

Van den Booms gebruik van tekst kan daarom worden geplaatst naast kunstenaars die de relatie tussen woord en beeld onderzochten, van René Magritte tot de conceptuele kunst. Magritte liet zien dat een afbeelding en het benoemde ding nooit samenvallen. Van den Boom stelt een verwante, maar positievere vraag. Niet: klopt het beeld met de werkelijkheid? Maar: welke werkelijkheid kan door dit beeld ontstaan?

Zijn teksten zijn geen onderschriften in traditionele zin. Zij vormen een tweede waarnemingslaag. Het beeld vertraagt de taal en de taal verplaatst het beeld. Daarbij blijft de toon persoonlijk en toegankelijk. Het gaat hem niet om theoretische raadsels, maar om vragen die direct met het leven verbonden zijn: wie zijn wij, hoe veranderen wij, wat houdt ons overeind, wat zien we niet meer en hoe verhouden wij ons tot de wereld waarvan we deel uitmaken?

Sculptuur en het reeds aanwezige beeld

In de sculpturen wordt de crealistische houding fysiek. Van den Booms eerste beelden ontstonden in steen, niet vanuit een vooraf vastgelegd ontwerp, maar vanuit een ontmoeting met het materiaal. In een steenhouwerij is er volgens hem altijd één steen die opvalt, alsof hij al duizenden jaren wacht en zegt: pak mij.

Vanaf dat ogenblik bepaalt niet alleen de kunstenaar het beeld. Ook de steen geeft richting. Tijdens het hakken, vijlen en schuren worden vorm, hardheid, breuklijnen en weerstand onderdeel van het proces. Beeldhouwen wordt daarmee geen eenzijdige handeling waarbij een idee aan passief materiaal wordt opgelegd, maar een dialoog tussen maker en materie.

Iedere ingreep is bovendien onomkeerbaar. Wat uit de steen wordt verwijderd, kan niet worden teruggebracht. Daardoor is beeldhouwen voor Van den Boom een discipline van aandacht, intuïtie en vertrouwen. Iedere keuze is definitief en precies daarin schuilt voor hem de schoonheid.

Deze opvatting sluit aan bij een oude beeldhouwkundige gedachte die vooral met Michelangelo wordt verbonden: de figuur bevindt zich als mogelijkheid al in het materiaal en de beeldhouwer bevrijdt haar. Toch ligt bij Van den Boom het accent anders. Hij zoekt niet naar een ideale vorm die vooraf volledig in de steen besloten ligt. Het beeld ontstaat gedurende het werken. De maker kiest, maar de steen begrenst, antwoordt en stuurt terug.

In Steen der Wijsheid wordt deze verhouding radicaal omgekeerd. Tijdens een wandeling door Grächen zag Van den Boom tussen de houtsnippers een klein steentje liggen. “Daar ligt een kop,” zei hij, nog voordat zijn vrouw zag wat hij bedoelde. Het steentje werd niet gehakt, gevijld of geschuurd. De natuur had de vorm al gemaakt. De artistieke handeling bestond uitsluitend uit het zien.

Hier nadert het werk aan het kunsthistorische principe van het objet trouvé: een bestaand voorwerp krijgt door selectie en presentatie een nieuwe betekenis. Toch is Steen der Wijsheid geen ready-made in de gebruikelijke betekenis. Het gaat niet om een door mensen vervaardigd object dat door de kunstenaar tot kunst wordt verklaard. De vorm is door natuurlijke processen ontstaan en wordt door de kunstenaar als beeld herkend.

De AI-visualisatie van het steentje op een sokkel maakt zichtbaar wat er door die herkenning gebeurt. De steen zelf verandert niet, maar zijn betekenis wel. Wat eerst een onopvallend natuurfragment was, begint terug te kijken. Het wordt een hoofd, een aanwezigheid en voor sommigen zelfs iets beangstigends.

Zo laten de sculpturen twee kanten van hetzelfde kunstenaarschap zien. In het ene geval haalt Van den Boom door onomkeerbare keuzes een beeld uit de steen. In het andere geval hoeft hij niets weg te halen en bestaat zijn bijdrage uit aandacht alleen. Soms moet een vorm worden bevrijd; soms was zij al volledig aanwezig en moest iemand haar slechts zien.

Daarmee raakt de sculptuur aan de kern van het crealisme. De kunstenaar maakt niet noodzakelijk iets wat nog niet bestond. Hij kan ook zichtbaar maken wat door anderen nog niet als mogelijkheid werd herkend.

Een existentieel humanisme

Onder de bomen, landschappen, abstracties en sculpturen ligt een consequent mensbeeld. Van den Booms kunst gaat over groeien, opnieuw beginnen, standhouden en veranderen zonder jezelf te verliezen. Werken rond geboorte, depressie, bevrijding, oorlog, wereldleiders en verbondenheid tonen dat zijn kunstenaarschap niet losstaat van zijn levenservaring. Het persoonlijke wordt echter niet als bekentenis tentoongesteld. Het wordt omgevormd tot een beeld waarin ook anderen zichzelf kunnen herkennen.

Daarom kan zijn werk worden omschreven als existentieel humanistisch. Niet omdat het antwoorden geeft op de grote levensvragen, maar omdat het de mens benadert als een wezen dat nooit af is. Identiteit is geen bezit, maar een proces. Hetzelfde geldt voor een kunstwerk. Een afgedankt schilderij kan een nieuw begin worden; een kunstenaar kan op latere leeftijd opnieuw beginnen; een boom die schijnbaar stilstaat, blijkt ieder jaar een andere boom.

Van den Boom noemt zichzelf soms de “oudste beginnende kunstenaar”. In die ogenschijnlijke tegenstelling ligt een essentieel deel van zijn positie besloten. Kunstgeschiedenis wordt vaak verteld als een opeenvolging van jonge vernieuwers die met het verleden breken. Zijn ontwikkeling laat een ander model zien: vernieuwing als verdieping, herlezing en tweede leven. Leeftijd is daarin geen beperking, maar een reservoir van ervaringen die opnieuw geordend kunnen worden.

Hij is daarom moeilijk te plaatsen als een late vertegenwoordiger van één historische stroming. Zijn werk bevat elementen van symbolisme, expressionisme, pointillisme, abstractie, surrealisme en conceptuele kunst, maar behoort volledig tot geen van deze categorieën. Zijn positie ligt juist in de verbinding tussen deze tradities: tussen waarneming en verbeelding, ambacht en idee, verhaal en vorm, controle en toeval.

De kunst van het opnieuw kijken

De betekenis van Van den Booms werk ligt uiteindelijk niet in de uitvinding van een nieuwe vorm, maar in het consequent volhouden van een manier van kijken. Het crealisme vraagt de beschouwer om zijn eerste oordeel op te schorten. Een boom is niet alleen een boom. Een mislukking is niet alleen een mislukking. Een abstracte vorm is niet betekenisloos omdat zij niets herkenbaars afbeeldt. Een oud mens is niet voltooid. Een stilstaand object kan beweging bevatten.

Daarmee verzet zijn werk zich tegen een cultuur waarin mensen en dingen snel worden beoordeeld op hun directe functie, herkenbaarheid of economische waarde. Van den Boom kijkt juist naar wat nog niet zichtbaar, voltooid of bruikbaar is. Zijn kunstenaarschap begint waar de vaststaande betekenis ophoudt.

Het meest overtuigend is hij wanneer hij deze gedachte niet uitlegt, maar materialiseert: in de honderden uren die in een veld van punten besloten liggen; in een boom die tegelijk organisme en personage is; in een afgewezen schilderij dat acht nieuwe beelden voortbrengt; in een landschap dat nergens bestaat en toch wordt herkend; in een steen die terugkijkt zodra iemand er een gezicht in ziet.

Ad van den Boom is daarmee niet uitsluitend een schilder van bomen, evenmin alleen een schrijver die beelden maakt of een reclameman die kunstenaar werd. Hij is een kunstenaar van de transformatie. Zijn werk bevindt zich op het ogenblik waarop iets ophoudt uitsluitend te zijn wat het was, maar nog niet volledig is geworden wat het kan zijn.

Precies in die tussenruimte ligt zijn eigen plaats binnen de kunstgeschiedenis. Niet in de schaduw van één grote voorganger en niet als uitvinder van een afgebakende nieuwe stroming, maar als een hedendaagse vertegenwoordiger van een blijvende opdracht van de kunst: de werkelijkheid bevrijden uit de vanzelfsprekendheid waarmee wij haar hebben leren bekijken.

Vragen en antwoorden over mijn werk

Creatief in de reclame

Het verhaal van de jongen en de boom

Rijkdom

Over vooruitgang

Dreamscapes als experiment